Orgaantransplantatie, twee meningen

Slechts eenderde van alle Nederlanders heeft zich laten registeren als orgaandonor. Pogingen om dit percentage op te krikken hebben tot nog toe maar weinig resultaat. Blijkbaar zijn veel mensen huiverig om hun organen na hun overlijden ter beschikking te stellen voor anderen. Die houding kan te maken hebben met onverschilligheid en noncha-lance of met een instinctieve afweer om zich met het levenseinde bezig te houden.

Er zit ook een levensbeschouwelijke kant aan de zaak. Mag een christen bijvoorbeeld delen van zijn lichaam afstaan aan anderen? Zegt de Heidelbergse Catechismus niet dat de gelovige "met lichaam en ziel" het eigendom van Jezus Christus is? En hoe kijken orthodoxe Joden hier tegen aan? Moslims hebben ook hun eigen opvattingen en in humanistische kringen heersen weer anderen meningen over orgaandonatie.

De socioloog Cor Hoffer heeft een boekje samengesteld waarin hij inzicht geeft in de verschillende visies die er bestaan over orgaandonatie. Hij vergelijkt de joodse, christelijke, islamitische en humanistische opvattingen met elkaar. De uiteindelijke conclusie laat hij aan de lezer over.

Op deze pagina bespreken twee ethici, de christelijke gereformeerde dr. W. H. Velema en de Joodse rabbijn mr. drs. R. Evers, vanuit hun specifieke achtergrond het boekje van Hoffer.

N.a.v. "Levensbeschouwing en orgaandonatie", door Cor Hoffer; uitg. Dutch University Press, Amsterdam, 2002; ISBN 90 36 191 416; 83 blz.; € 17,50.


"Lichaam van overledene met álle respect behandelen"

Het boekje "Levensbeschouwing en orgaandonatie" van Cor Hoffer biedt wat het belooft, een vergelijking tussen Joodse, christelijke, islamitische en humanistische opvattingen over orgaandonatie.

De schrijver heeft zich op de hoogte gesteld van officiële standpunten door nota's of uitspraken van kerken na te gaan. Verder beschrijft hij de visies van voorgangers of leidinggevenden in de desbetreffende gemeenschappen. Ten slotte komen ook leken aan het woord; dat wil zeggen burgers die hun mening geven.

Islamitische burgers verwijzen vooral naar het standpunt van hun voorgangers. Mensen uit andere groeperingen zijn iets onafhankelijker. Het meest radicaal is het standpunt van humanisten. Zij gaan uit van zelfbeschikking, maar hechten ook waarde aan de integriteit van het lichaam. Sommige humanisten vragen begrip voor emotionele en intuïtieve aspecten van orgaandonatie.

Voortbestaan leven
Bij de andere drie stromingen zien we telkens twee standpunten ("beginselen" noemt de auteur ze) die met elkaar concurreren, namelijk lichamelijke integriteit tegenover het redden van levens. In al deze drie groepen zijn er mensen die of voor het ene of voor het andere standpunt kiezen. Er zijn ook mensen die een voorzichtige combinatie van beide voorstaan.

Wie voor lichamelijke integriteit opkomt, vindt dat de mens niet kan beslissen over het afstaan van organen. Hij heeft immers niet de beschikking over zijn eigen lichaam. Voorstanders van orgaandonatie onderschrijven dat (hoewel mijns inziens niet allen), maar wijzen erop dat men ook het voortbestaan van het leven moet dienen. Daarbij zullen christenen vooral uit religieus oogpunt de belangen van de naasten laten meewegen.

Jodendom en islam -zo is de conclusie- hechten vooral waarde aan de statuur van de religieuze wetgeving en het daarmee samenhangend oordeel van religieuze geleerden en gezagsdragers. Dit geldt vooral op het punt van de orgaandonatie.

In het Christendom zijn er diverse substromingen die aan centrale uitspraken hechten. Niettemin ligt het accent toch meer op de opvattingen van de gelovigen zelf.

De auteur pleit inzake beleid en voorlichting voor meer aandacht voor levensbeschouwelijke factoren die evenzeer een rol spelen in de terughoudendheid, en voor twijfels van actoren als het gaat om de registratie als donor.

Er moet bovendien onderzoek gedaan worden naar de manier waarop individuen uit de verschillende levensbeschouwelijke (sub)groeperingen het thema orgaandonatie en -transplantatie overdenken en beleven. Bovendien moet er aandacht worden gegeven aan de beelden van het (levende en dode) lichaam die actoren daarbij hanteren.

Met deze aanbeveling sluit de auteur het boekje af. Het is dus meer een formele dan een inhoudelijke aanbeveling. Ik meen dat de auteur orgaandonatie voorstaat. Hij is echter terughoudend om daarover een aanbeveling te doen. Men kan over standpunten binnen de vier besproken stromingen heel wat kennis opdoen. Hoe het verder moet, wordt aan de lezer overgelaten.

Stofzijt gij
Mij heeft met betrekking tot het lichaam van een overledene de bijbelse uitspraak: "Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren" sterk beziggehouden. Vanaf het moment van het sterven treedt het ontbindingsproces (terugkeer naar stof) in. Ik pleit voor respect jegens het lichaam van de overledene, en dan voor alle respect. In het licht van het ontbindingsproces dat onmiddellijk met de dood inzet, ben ik voorzichtig om over integriteit te spreken.

Orgaandonatie is een heel persoonlijke beslissing, maar misstaat een christen niet.

Mijn moeite ligt vooral in de haast waarmee, soms, de transplantatie nog tijdens het sterven wordt voltrokken. Daartegen moet bezwaar worden gemaakt.

Dr. W. H. Velema, emeritus hoogleraar van de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Apeldoorn


"Sterven gebeurt niet van het ene op het andere moment"

Cor Hoffer is er in zijn werk "Levensbeschouwing en orgaandonatie; vergelijking van joodse, christelijke, islamitische en humanistische opvattingen" in geslaagd de zaak fundamenteel en essentieel te behandelen. Orgaandonatie is zowel een emotionele als een overwogen, intellectuele beslissing voor ieder individu. In zijn kwalitatieve onderzoek signaleert Hoffer dat religie, levensbeschouwing en gevoelens dooreen lopen bij de uiteindelijke beslissing het donorcodicil in te vullen. Met name de levensbeschouwelijke visie is nogal eens in strijd met een klinische, utilistische optiek. Als het lichaam enkel gezien wordt als een verzameling van zelfstandige, uitneembare en reproduceerbare onderdelen zijn we te beperkt bezig.

Religie, levensbeschouwing en emoties leiden tot een waaier aan opvattingen en voorkeuren inzake orgaandonatie. Toch worden duidelijke clusters van ideeën en gevoelens onderscheiden, die vaak met elkaar in botsing zijn. Orgaandonatie is voornamelijk problematisch omdat men moet kiezen tussen twee concurrerende principes, die in alledrie de godsdiensten, maar ook in het humanisme, een belangrijke rol spelen. Aan de ene kant staat de integriteit van het menselijk lichaam, waarbij door de religies wordt gesteld dat G'd daar de Eigenaar van is. Hierdoor bezit het lichaam een bepaalde heiligheid omdat het geschapen is naar G'ds beeld. Dit leidt tot een beperkt beschikkingsrecht vanuit de mens. Maar daartegenover staat dat alle grote godsdiensten het redden van mensenlevens ook een uitermate belangrijk goed vinden.

De lezer wordt geconfronteerd met een opmerkelijk fenomeen: hoe orthodoxer de religieuze beleving, hoe sterker het gevoel dat de integriteit van het menselijk lichaam belangrijker is dan het redden van mensenlevens.

Een sociologisch punt betreft de waarde van de oordelen van religieuze leiders en gezagsdragers. In islam en Jodendom is het standpunt van "gezagsdragers" van invloed op de besluitvorming. In het Christendom ligt dat anders. Gezagsdragers doen centrale uitspraken, maar het accent blijft meer op de opvattingen van de gelovige zelf liggen.

Levensbeschouwelijke factoren
Cor Hoffer besluit zijn werk met een aanbeveling, omdat het beleid en de voorlichting inzake orgaandonatie tekortschiet. De overheid richt zich primair op zaken zoals het opheffen van het tekort aan medische informatie, het wegnemen van irreële angsten en het verbeteren van de organisatie. Maar dit beleid behoeft aanvulling. Levensbeschouwelijke factoren spelen een belangrijke rol bij de vraag of men zich laat registreren als donor. Kwalitatief sociaalwetenschappelijk onderzoek zou in ieder geval opheldering over deze factoren kunnen geven.

Zijn beschrijving van de Joodse visie op orgaandonatie is breed en doortastend. Opvallend is dat de orgaandonatie bij het leven door de rabbijnen wordt toegestaan als de donor maar geen levensgevaar loopt. Maar met orgaandonatie na het overlijden heeft het Jodendom meer problemen. Een groot halachisch (Joods-wettelijk) probleem vormt de vraag wanneer de dood intreedt De afgelopen vier decennia is hierover in Joodse kring uitgebreid, gediscussieerd. Aanvankelijk werd gesteld dat het verrichten van een harttransplantatie bijna te vergelijken was met een dubbele moord: op de donor, omdat zijn of haar hart nog klopte, en op de ontvanger, omdat bij deze een slecht functionerend hart werd omgeruild voor een hart met een onzekere toekomst.

Gelukkig is er inmiddels op het gebied van de harttransplantaties veel verbeterd. Toch blijft het doodscriterium moeilijk. De medische wetenschap heeft de neiging deze in de richting van het leven te verschuiven, omdat men op deze wijze meer donororganen ter beschikking krijgt.

Geleidelijk proces
Volgens de Joodse wet geschiedt het sterven niet van het ene op het andere moment: het is een geleidelijk proces. Dit zou kunnen betekenen dat, hoewel de hersenen ogenschijnlijk dood zijn, er toch nog leven aanwezig is. Hersendood alleen is dus onvoldoende voor de Joodse wet. De dood kan worden vastgesteld door na te gaan of de ademhaling definitief gestopt is en of de hersenstam, de centrale voor veel essentiële levensfuncties, onherroepelijk dood is. Het is belangrijk om alle omstandigheden uit te sluiten waarbif herstel nog mogelijk zou zijn: hormonale afwijkingen die de coma veroorzaken, ondertemperatuur (lager dan 35 graden Celsius), stofwisselingsafwijkingen en geneesmiddelen die de ademhaling beïnvloeden (zoals slaapmiddelen of spierverslappers). Niettemin is er geen eensgezindheid over het werkelijke doodscriterium. Zolang dit nog niet het geval is, blijven harttransplantaties een discussiepunt.

Mr. drs. R. Evers, rabbijn van het Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap en rector van het Nederlands Israelietisch Seminarium

Back to reviews Back

Copyright © 2005 by C. Hoffer